Home

November 2014

1

De beste profeet voor de toekomst is het verleden. Uit het Engels: The best of prophets of the future is the past. Lord George Byron, Engels dichter 1788-1824
2 De Valtherbrug is een veenweg of veenbrug uit de late ijzertijd die in 1818 werd ontdekt door J.W. Karsten Hoofd-Ingenieur bij den Waterstaat en der Publieke Werken. Hij bracht de weg tevens in kaart en beschreef deze. Stamt van 350 VJ. De veenweg bestaat uit planken en stammetjes en loopt tussen Ter Apel en Valthe. Het zou destijds de Hondsrug met Westerwolde hebben verbonden. De veenweg is zo lang bewaard gebleven doordat deze beschermd was door het veen. Delen van de weg zijn na Karsten blootgelegd door L.J.F. Janssen (1848), P.S. en D.H. van der Scheer (1854-1855) en G.J. Landweer (1891-1892).
3

Copán was in de klassieke tijd een stad binnen de Mayabeschaving in Meso-Amerika. De overblijfselen van deze stad liggen in het uiterste westen van Honduras, in het departement Copán, vlak bij de grens met Guatemala. Copán in Honduras besloeg 24 vierkante kilometer en had 20.000 inwoners. Pas in de 19e eeuw werd de stad herontdekt. Een uniek bouwwerk is een hiërogliefentrap, gebouwd langs een 30 meter hoge piramide. Deze trap is bekleed met de langste tekst van het oud-Amerikaanse continent: meer dan 2000 hiërogliefen zijn in de 72 treden van de trap gekerfd. Hier is de geschiedenis van de Copán-dynastie te lezen. Door deze hiërogliefen kon een groot deel van de geschiedenis van Copán bestudeerd worden. Ook zijn er sculpturen aangebracht die de verschillende vorsten uit de dynastie verbeelden. De restauratie van deze trap heeft bijna een eeuw geduurd.

4

Turkanajongen is de naam van een fossiel skelet gevonden in Kenia, aan het Turkanameer, door Richard Leakey en zijn team. Ze waren op zoek naar fossiele hominini. Dit onderzoeksteam vond een compleet skelet van ongeveer 1,6 miljoen jaar oud. Het werd geïnterpreteerd als een jong individu van Homo ergaster. De Turkanajongen had het gebit van een moderne 11- of 12-jarige. Omdat zijn ontwikkeling sneller ging dan bij moderne mensen was hij misschien slechts 9 jaar oud. Uit analyse van het skelet blijkt dat Homo erectus ongeveer 163 cm groot was (met een onzekerheidsmarge van 152 cm tot 179 cm). De 9-jarige Turkana Boy was zo goed als volgroeid. In eerste instantie classificeerde Leakey de Turkanajongen als Homo erectus. Nu men een bijna compleet skelet had, ontdekte men iets opmerkelijks. De jongen kwam wel overeen met andere Afrikaanse erectus-fossielen, maar niet met de zware en robuuste erectus-fossielen uit Azië. Men zag dat de Afrikaanse erectus-fossielen behoorlijk afweken van hun Aziatische verwanten. Er werd dus besloten de Afrikanen in een aparte soort te plaatsen: Homo ergaster.

5

Ötzi is de naam die is gegeven aan de ijsmummie van een man uit de Kopertijd. Twee Duitse amateurbergbeklimmers vonden hem op 19 september 1991 in de Italiaanse Ötztaler Alpen. Hij is de oudste menselijke mummie die in Europa is gevonden. Studie van Ötzi, zijn voeding, kleding, uitrusting en bewapening, heeft kennis opgeleverd over het leven in de nieuwe steentijd, 5300 jaar geleden. Ötzi was een man van circa 45 jaar, oud voor die tijd. Hij was circa 1,60 m lang. Uit onderzoek blijkt dat hij weinig vet had. Bij leven moet hij zo'n vijftig kilogram gewogen hebben. Zijn lichaam telt 59 tatoeages. Ze werden veroorzaakt door inkervingen in de huid die daarna met koolpoeder zijn ingewreven. In zijn longen bevonden zich deeltjes van de rook van houtskoolvuurtjes. Uit analyse van DNA, van stof en stuifmeelkorrels en van de isotopenverhoudingen in zijn gebit, waarin gaatjes zaten, blijkt dat hij zijn jeugd in de buurt van het huidige dorp Feldthurns ten noorden van Bozen doorbracht. Zijn kleding was nog gedeeltelijk intact en bleek verrassend goed aangepast aan de eisen van het klimaat in de Alpen. Hij droeg complexe, gevoerde schoenen. In zijn maag-darmstelsel bevonden zich de resten van twee maaltijden. De laatste was er een van edelhertenvlees en eenkoorn, een primitieve tarwesoort. De voorlaatste was er een van steenbokvlees.  In de maaltijd zaten stuifmeelkorrels passend bij een naaldbos op middelmatige hoogte. Ötzi had donkerbruin tot zwart haar, dat op een lengte van circa acht centimeter was afgeknipt. Hij droeg een baard en had bruine ogen. Hij had geen luizen, maar in zijn kledij zijn wel twee vlooien gevonden. Zijn leeftijd en de voorwerpen die hij bij zich droeg, vooral de kostbare koperbijl en de berenmuts, wijzen erop dat hij een zekere status moet hebben gehad.

6

Porselein is een bijzondere vorm van keramiek of pottenbakkerskunst. Voor het maken van porselein is veel kennis en ervaring vereist. Bij de samenstelling van porselein wordt kaolien, een weerbarstige, witte kleisoort, gebruikt, vermengd met kwarts en een veldspaat. Bij het bakken is een hoge temperatuur vereist. Porselein wordt daardoor hard, doorschijnend en klinkt helder. Porselein is bovendien reuk- en smaakloos en verkleurt nauwelijks, ook niet als het bijvoorbeeld enkele eeuwen in een scheepswrak op de bodem van de zee heeft gelegen. Porselein wordt vooral gebruikt om borden, kommen en ander vaatwerk te produceren dat dienst doet bij het opdienen van voedsel.

7

Kleitabletten werden in principe nooit gebakken, maar ze werden jaarlijks gerecycleerd. Sommige kleitabletten zijn echter wel in gebakken toestand aan ons overgeleverd, bijvoorbeeld door een plotse brand in de plaats waar ze lagen opgeslagen. De rest zijn steeds tabletten van ongebakken klei en daardoor uiterst breekbaar. Moderne geleerden zijn nu de mogelijkheid aan het onderzoeken om de tabletten alsnog te bakken, zodat ze beter bewaard kunnen worden.

8

In de Britse televisieserie Time Team komen diverse deelgebieden van archeologie en aanverwante en hulpwetenschappen aan bod. Zo worden interessante plaatsen om te graven, zowel als informatie over de plaatsen waar niet gegraven is, meestal gevonden door middel van geofysica (afwijkingen in het aardmagnetisme of verschillen in weerstand van de grond), maar ook door onderzoek van het landschap of het bestuderen van materiaal in archieven. Ook bevatten de meeste uitzendingen een stuk aan het onderzoeksonderwerp verwante experimentele archeologie.

9

In de buurt van de grafheuvel waaronder het graf van keizer Qin Shi Huangdu is, bevinden zich ook nog talrijke grafkuilen. Eén ervan bevatte twee prachtige bronzen miniatuurwagens met bronzen paarden en wagenmenners. Deze staan tegenwoordig in het museum bij de opgraving. Onlangs is er nog een kuil met bronzen vogels ontdekt. Ook zijn er offerkuilen gevonden met skeletten van exotische dieren, massagraven van dwangarbeiders en tombes met lijken van jonge mensen. Dat kunnen mensenoffers zijn geweest. In 384 VJ werd deze praktijk officieel verboden in China, maar het offeren van mensen ging nog door tot de 17e eeuw. Wel werden de mensenoffers in de tijd van de Qin-dynastie en de daaropvolgende Han-Dynastie steeds meer vervangen door terracotta beelden. Van die omslag in de grafcultuur is het Terracottaleger dus een rechtstreeks product.

10

De Kolossus van Rhodos was een bronzen beeld van de Griekse zonnegod Hēlios en een van de 7 wereldwonderen. De Kolossus is alleen bekend uit antieke teksten. Het beeld werd opgericht ter ere van de zege van Rhodos over het leger van Demetrios in 304 VJ. Het beeld was ongeveer 33 meter hoog. Hoe het eruit zag blijft giswerk, er zijn geen afbeeldingen van bewaard gebleven. Men neemt aan dat het leek op de beelden van Helios die wel bewaard zijn gebleven. Wat betreft de plaatsing van het beeld zijn er geen archeologische aanwijzingen gevonden.  Op de top van de heuvel die vandaag Monte Smith genoemd wordt, werden enorme stenen funderingen gevonden die zouden hebben gediend als de fundering van de Kolossus. Het beeld zou gebouwd zijn tussen 305 en 292 VJ. Over de bouw is geen eigentijdse informatie teruggevonden. Plinius de Oudere schreef bijna 400 jaar later in zijn Naturalis Historiae dat de bouw 12 jaar duurde en 300 talenten zilver kostte (ongeveer 7.800 kg). Volgens Plinius werd de Kolossus van Rhodos 66 jaar na de bouw in ca. 225 VJ vernield door een aardbeving. De brokstukken van het beeld zijn negen eeuwen blijven liggen waar het beeld was neergestort, tot kalief Moe'awija I, de stichter van de Omajjaden-dynastie, in 653 Rhodos veroverde. Volgens de overlevering hebben de Arabieren de resten van het beeld verkochten aan een joodse handelaar in Edessa en waren er 900 kamelen nodig om de bronzen restanten van het beeld te vervoeren.

11

Ur (ook wel Oer en in het Sumerisch: Urim) was een stad in Sumer, in het zuidelijk deel van Mesopotamië (hedendaags zuidoost Irak), waar de rivieren Eufraat en Tigris in de Perzische Golf uitmonden. De stad werd reeds ca. 4000 v.Chr. gesticht. Zij is eeuwenlang een van de belangrijkste steden van de Sumerische cultuur geweest. Tegenwoordig is het dan ook een belangrijke archeologische vindplaats. De stad was gelegen even ten zuiden van het huidige Nasiriyah aan de benedenloop van de Eufraat, niet ver van de toenmalige golfkust en zou een belangrijke havenstad zijn geweest. Door diverse opgravingen hebben we een tamelijk goed beeld van hoe de stad er uitzag. In het noorden was het stadsdeel dat gewijd was aan de maangod Nanna, de hoofdgod van de stad. Hier stond ook de ziggoerat die ca. 2200 VJ  werd gebouwd. Om de ziggoerat heen bevonden zich nog een paar belangrijke bouwwerken. Het paleis Echursanga dateert van de derde dynastie van Ur en was het koningspaleis van Ur-Nammu en Schulgi. Het Egipar was een heiligdom gewijd aan Ningal en is ook in de derde dynastie gebouwd.

12

Homo erectus nankinensis (Nanjing-man) is een uitgestorven subsoort van de Homo erectus, waarvan fossiele tanden en schedelfragmenten in maart 1993 gevonden zijn in de Huludong grot in het Tangshan gebergte ongeveer 26 km. ten oosten van Nanjing, Jiangsu provincie, China. De botten werden met behulp van thermische ionisatie massaspectrometrie direct gedateerd. Bijgevolg leefde de Nanjing-mens ongeveer 580.000-620.000 jaar geleden in het zuiden van China.

13

Balseming is het vertragen of verhinderen van het vergaan van stoffelijke overschotten door het gebruik van conserveringsmiddelen. Dit kan worden toegepast om het lichaam langer toonbaar te houden ten behoeve van een uitvaartceremonie; of indien de overledene bijgezet dient te worden, zoals geestelijken of leden van het Koninklijk Huis. Een lichaam zal vaak ook gebalsemd moeten worden wanneer het naar een ander land vervoerd wordt. Bij een balseming wordt een conserveringsmiddel toegediend, dit is meestal formaline, een oplossing van formaldehyde in water. De ingewanden worden tegenwoordig niet verwijderd, zoals dat vroeger wel gebeurde bij Egyptische mummificatie.

14

Museum 't Oude Slot, op Hemelrijken, in een U-vormige herenboerderij uit de 18e eeuw, die gebouwd is op de fundamenten van de vroegere edelmanswoning. Opgravingen in 1964 openbaarden de contouren van de omgrachting, die weer gereconstrueerd is. Het museum is gewijd aan de Kempense volkenkunde, en ook zijn er voorwerpen te zien die bij de opgravingen zijn gevonden en afkomstig zijn van het slotje. De boerderij is in 1974 gerestaureerd. Mus. 't Oude Slot veldhoven, Hemelrijken 6, 5502 HM  Veldhoven. http://www.museumoudeslot.nl

15

De vloek van Ötzi betreft het volksgeloof dat beweert dat er een vloek rust op Ötzi, de ijsmummie die in 1991 in de Tiroolse Alpen gevonden werd. Verschillende personen die direct of indirect met de ontdekking en het onderzoek naar Ötzi te maken hebben gehad, zijn sinds de vondst van de ijsman gestorven. Dit heeft geleid tot het ontstaan van sagen, waarin wordt verteld dat er een vloek op Ötzi zou rusten, die tot de dood leidt. De media dook direct op deze volksverhalen. Sinds de ontdekking van het prehistorische lichaam zijn er echter verscheidene wetenschappers en anderen betrokken geweest die nog wel in leven zijn. Het aantal onderzoekers wordt zelfs wel op 150 geschat. En van degenen die wél zijn overleden, was een aantal de 60 reeds gepasseerd: niet bijzonder oud, maar ook niet abnormaal jong.

16

De bakermat van het porselein ligt in het oude Chinese keizerrijk, waar het werd gebruikt bij de rituelen rond de voorouderverering en voor het opdienen van voedsel. Porselein werd tussen de 7de en de 9de eeuw NJ ten tijde van de Tang-dynastie ontwikkeld om het dure groene jade en het witte jaspis te imiteren. Het aardewerk heeft een edele eenvoud. Soms wordt de ontwikkeling van porselein 500 jaar eerder gelegd, ten tijde van de Han-dynastie, toen het aardewerk voor het eerst werd geglazuurd. Door de oven plotseling te doven, verkreeg men porselein met een craquelé decor. Nadat de Chinezen kennis hadden gemaakt met het Perzische keramiek, werd uit dat land kobalt ingevoerd om het zo beroemde blauw-witte porselein te fabriceren. In de 14e eeuw werd het schilderen van een decor steeds belangrijker. Dat was een revolutionaire ontwikkeling en het porselein kreeg veel meer aandacht. In Europa was het dunne, glanzende en doorschijnende porselein onbekend tot in de 13e eeuw. De ontdekkingsreiziger Marco Polo maakte er als één van de eerste Europeanen kennis met porseleinen eetgerei. Hij vergeleek het glanzende eindproduct met de tere roze schelp van een zeeslak (familie van de Cypraeidae), dat in de Italiaanse volksmond porcella (varkentje) werd genoemd en gaf het de naam porcellana.

17

Jacobakannen zijn slanke kannen gemaakt van steengoed, die vanaf circa 1375 werden vervaardigd in het Duitse Siegburg. De vorm van de kannen werd gedurende de 15de en de 16de eeuw steeds smaller. De echte naam van deze kannetjes is Siegburgkannen.

18

De Middeleeuwen is een periode die meestal word gedateerd tussen 476, de val van het Westromeinse rijk en 1492, de ontdekking van Amerika. Een periode van duizend jaar voorafgegaan door 500 jaar vanaf de jaartelling, gevolgd door 500 jaar tot aan het hedendaagse. Het middelste deel van 20 eeuwen. De Middel(ste)eeuwen dus. In de archeologie rekenen we van af ongeveer 300 NJ tot 1500 NJ waarbij we onderscheid maken tussen Vroege Middeleeuwen en Late Middeleeuwen. De Late Middeleeuwen verdelen we dan weer in periode A en periode B. De Vroege Middeleeuwen is de periode na het uiteenvallen van het Romeinse rijk tot aan het jaar 1000 NJ. De Late Middeleeuwen A is de periode van de invallen van de Noormannen en andere roversbenden. Men noemt deze periode ook wel eens de Hoge Middeleeuwen. Rond 1250 was de bekering tot het Christendom in de lage landen bijna volledig doorgedrongen en begon er een periode van verstedelijking. Deze periode noemen we de Late Middeleeuwen B.

19

Bij de Bataafse Opstand van 69-70 werden veel forten langs de Limes in brand gestoken. Na de opstand zijn ze weer opgebouwd. Een volgende bouwfase lijkt rond 200 te hebben plaatsgevonden, toen de versterkingen werden herbouwd uit steen. Verwoestingslagen suggereren dat de Limes rond 240 is bezweken, werd hersteld, en opnieuw bezweek rond 258. De Bataafse keizer Postumus herstelde de grens, die definitief bezweek toen Aurelianus in 274 het Gallische keizerrijk liquideerde.

20

Wetenschappers hebben in 2011 het lichaam van een overleden taxichauffeur gemummificeerd. De archeologen gebruikten precies dezelfde methode als zo’n 3000 jaar geleden werd gebruikt. Het lichaam ligt nu opgeslagen en wordt goed in de gaten gehouden. De wetenschappers hopen zo meer te weten te komen over mummificeren. De 61-jarige Allan Billis overleed in januari van 2011 aan longkanker. Hij kwam zelf met het idee om zich te laten mummificeren nadat hij iets had gelezen over een programma over mummies en onderzoek naar mummificeren. Billis is de eerste mummie in ruim 3000 jaar.

21

De tell (heuvel) van Obeid dicht bij Ur in het zuiden van Irak heeft zijn naam gegeven aan de prehistorische Obeidcultuur. Een cultuur in het neolithicum die begon ca. 6500 VJ. in het begin van het Keramisch Neolithicum en voortduurde in de kopertijd tot het begin van de Urukperiode, ca. 4000 VJ. (Sommige bronnen geven 3700 VJ als einde aan.). Deze Obeidcultuur bracht de eerste nederzettingen voort op de alluviale vlakte van zuidelijk Mesopotamië. Grote dorpen die bestonden uit rechthoekige huizen met muren van in de zon gebakken baksteen en met veel kamers. Door het gebruik van baksteen kon men grotere gebouwen bouwen maar geen tempels. Waarschijnlijk waren het vergaderzalen waar de dorpsoudsten samenkwamen. Belangrijk is de opkomst van een hiërarchie van nederzettingen met gecentraliseerde grote nederzettingen van meer dan 10 ha met daaromheen kleinere dorpen met een oppervlakte van minder dan 1 ha. Tot de huishoudelijke artikelen behoorden het voor de Obeidcultuur kenmerkende mooie en kwalitatief goede bruin of groen gekleurd aardewerk dat beschilderd was met zwarte of bruine geometrische patronen. Voor de vervaardiging daarvan werd blijkbaar een draaibare schijf gebruikt, maar het pottenbakkerswiel was nog niet bekend. Gereedschap, zoals sikkels, werd in het zuiden vaak gemaakt van gebakken klei; in het noorden werd natuursteen en soms metaal gebruikt.

22

De Solo-mens (Homo erectus soloensis) is een ondersoort van de uitgestorven mensachtige Homo erectus. De enige bekende exemplaren van deze afwijkende hominide zijn gevonden langs de rivier Bengawan Solo, op het Indonesische eiland Java, in de buurt van het dorp Ngandong. Hoewel de morfologie voor het grootste deel overeen komt met die van Homo erectus, was zijn cultuur ongebruikelijk ver gevorderd. Op grond van de gevonden gereedschappen en de fijne, graciele anatomische kenmerken van de skeletdelen, classificeerden onderzoekers de Solo-mens als een ondersoort van de Homo sapiens, vroeger Javanthropus genoemd. Analyse van 18 schedels (Crania) van Sangiran, Trinil, Sambungmacan en Ngandong laat een chronologische ontwikkeling zien van Bapang-AG naar de Ngandong-periode. Dit geeft aan, dat de Solo-mens zich wellicht uit de Homo erectus javanicus heeft ontwikkeld. Terwijl de meeste ondersoorten van de Homo erectus ongeveer 400.000 jaar geleden verdwenen uit het fossielenarchief, overleefde de Homo erectus soloensis tot circa 15.000 tot 20.000 jaar geleden.

23

Sinds de Clovistheorie omtrent de oudste cultuur van Amerika door recente ontdekkingen achterhaald is, ligt de wetenschappelijke discussie weer open, en zijn er verschillende theorieën die met elkaar wedijveren. De meeste theorieën gaan uit van een ouderdom van 13.000 tot 40.000 jaar. Verschillende DNA-onderzoeken lijken te suggereren dat indianen een gemeenschappelijke voorgeschiedenis hebben van 22.000 tot 34.000 jaar, een marge die overeen lijkt te komen met een ouderdom die gesuggereerd wordt door de taalkundige verscheidenheid van de Amerikaanse indianen. De oudste archeologische vondsten die door sommige serieuze archeologen worden geaccepteerd dateren van 50.000 jaar geleden. Hoewel er schrijvers zijn die beweren dat de oudste vondsten honderdduizenden jaren oud zijn, wordt dit door de wetenschappelijke gemeenschap niet geaccepteerd.

24

Stadsarchivaris Jan Cunen (1884-1940) is de grondlegger van de collectie en het naar hem vernoemde museum. Door belangrijke archeologische vondsten in de jaren dertig waren de ideeën voor een gemeentelijk museum ontstaan. De vondst van het gebogen zwaard in het zogenaamde Vorstengraf was hierbij een belangrijke stimulans. Jan Cunen breidde de collectie uit met religieuze beelden, streekdracht, munten en penningen en andere archeologische vondsten. In 1949 werd het museum postuum naar hem vernoemd. Sedert 1978 functioneert dit museum onder de naam Jan Cunencentrum, waarbij educatie een belangrijke taakstelling is geworden. Museum Jan Cunen, Molenstraat 65, 5341 GC Oss. http://www.museumjancunen.nl  

25

Ötzi werd vermoedelijk het slachtoffer van een jachtongeval of gewapend conflict. In zijn borstkas is bij de linkerschouder (pas een paar jaar na de vondst) een vuurstenen pijlpunt ontdekt die aanvankelijk bij eerder CT-onderzoek niet was opgemerkt. De bijhorende wond links op de rug is "vers". De schacht van de pijl was verwijderd, de pijlpunt is blijven steken. De long is niet geraakt. Gedetailleerd onderzoek met een CT-scanner leidt tot de conclusie dat de slagader die naar de linkerarm gaat door de pijlpunt was geraakt, in het weefsel eromheen was ook een groot hematoom zichtbaar. Dat zou betekenen dat Ötzi in slechts enkele minuten zou zijn doodgebloed. Experimenteel onderzoek met voor het tijdperk representatieve bogen toont aan dat ze een reikwijdte van ongeveer 180 meter hebben. Een pijl die vanaf dertig meter wordt afgeschoten gaat door het lichaam. Dat is niet gebeurd bij Ötzi. Wetenschappers vermoeden daarom dat hij van vrij grote afstand in de rug moet zijn geschoten. De schutter stond op een lager standpunt. Naast de schotwond had Ötzi een snijwond aan zijn rechterhand en een hoofdwond. Er zijn bloedsporen gevonden op zijn wapens en zijn kleding. DNA-onderzoek lijkt erop te wijzen dat de bloedsporen van vier verschillende personen komen. Er zijn rode bloedcellen gevonden in de wonden aan de hand en schouder. Daarmee is dit bloed het oudste dat ooit gevonden is. Recent onderzoek suggereert dat de pijlwond spoedig gevolgd werd door de hoofdwond, die mogelijk met een steen is toegebracht, of door een val op de rots. Vóór zijn overlijden zou Ötzi op zijn buik gelegd zijn en zou iemand, hetzij vriend of vijand, getracht hebben de pijl uit de wond te trekken.

26

In Nederland werd porselein bekend, toen eind februari 1603 een Portugese kraak werd gekaapt in de Straat van Malakka door admiraal Jacob van Heemskerck, beladen met zijde en 100.000 stuks porselein. Op de veilingen van de VOC brachten het zogenaamde kraakporselein, enkele miljoenen op. Iedereen raakte in de ban van het exotische product. Johannes Isacus Pontanus vermeldt dat in 1611 porselein alledaagse, maar prijzige voorwerpen waren. De term kraakporselein vindt zijn oorsprong in de naam van de Portugese schepen caraques of kraken, waarmee de lading naar Europa werd vervoerd. Het kraakporselein was goedkoop, grof en ongesigneerd. Het was speciaal voor de Europese markt bedoeld en werd vaak door de VOC als ballast onderin het schip geladen. In de Nederlandse huishoudens diende het Chinese porselein aanvankelijk als siervoorwerp. Het werd te pronk gezet op kasten, op speciale richels en op de schoorsteenmantel. De pottenbakkers in Delft werden beïnvloed door het blauw-witte Chinese porselein. Ze gingen over tot het produceren een blauw-wit faience, veelal met Chinese Wanli motieven. Een verzamelnaam voor het Chinees porselein dat speciaal voor de Europese markt werd vervaardigd is Chine de commande.

27 De Dode Zee-rollen omvatten een collectie handschriften van meer dan 900 documenten, inclusief ruim 200 handschriften van de Hebreeuwse Bijbel, de Tenach (of het Oude Testament). Ze werden ontdekt tussen 1947 en 1956 in elf grotten in de buurt van de nederzetting van Qumran, een plaats aan de noordwestkust van de Dode Zee, ongeveer 12 kilometer ten zuiden van Jericho. De handschriften zijn geschreven in de Hebreeuwse, Aramese en Griekse taal. Ze dateren uit de periode ca. 250 vóór de jaartelling tot ca. 50 na de jaartelling. Waarschijnlijk zijn ze rond 68 NJ. verstopt in de grotten. Deze handschriften zijn erg belangrijk, omdat ze een van de weinige geschreven bronnen zijn betreffende de joodse cultuur van ruim 2000 jaar geleden. Ze werpen een nieuw licht op de politieke en religieuze context van die dagen. Ze zijn van groot belang voor het onderzoek naar de tekstoverlevering van het Oude Testament.
28

Tijdens het Romeinse Rijk was Nijmegen onderdeel van de Limes, de grens tussen het Romeinse Rijk en de verschillende zogenaamde Germaanse gebieden. In Nijmegen was van 71 tot 104 het 10e legioen van de Romeinen gelegerd. Er is tijdens het Romeinse bewind een groot fort (castrum) gebouwd op een heuvel aan de Waal, een paar onderdelen zijn daar nog van over. Er worden ook nog regelmatig opgravingen gedaan waarbij Romeinse spullen worden gevonden. De stad werd gevormd als handelsnederzetting naast het Romeinse castrum. Dit bood een voordeel omdat de markt daardoor door de legionairs beschermd kon worden en bovendien omdat de legionairs ook vele goederen nodig hadden, waar ze bovendien een goede prijs voor konden betalen, omdat ze een redelijk salaris ontvingen. De naam Nijmegen is dan ook afgeleid van de Latijnse aanduiding "Novio-magus", wat 'nieuwe markt' betekent. De Romeinen verlieten het fort in de 3e eeuw.

29

De ontdekking van de Dode Zee-rollen vond onverwacht plaats. Volgens de overlevering zou Mohammed ed-Dib (een bedoeïen bijgenaamd "de wolf") begin 1947 bij Qumran op zoek zijn geweest naar een schaap, dat van de kudde afgedwaald was. Daarbij doorzocht hij ook de grotten in de heuvels en wierp een steen in een van de grotten in de hoop zijn schaap eruit te jagen. Hij vond het schaap niet, maar wel hoorde hij iets wat leek op het breken van aardewerk. Hij betrad de grot en vond oude potten met daarin beschreven rollen in linnen gewikkeld. Deze bracht hij naar een antiquair in Bethlehem genaamd Khalil Iskander Shahin, bijgenaamd 'Kando'. Dit is de meest gebruikelijke versie, gebaseerd op interviews van John C. Trever. In andere verhalen is sprake van een geit en van meerdere bedoeïenen.

30

Jan Hendrik Holwerda (Schiedam, 3 december 1873 - Nijmegen, 3 maart 1951) was een Nederlandse archeoloog en museumdirecteur. Holwerda, zoon van de hoogleraar archeologie Antonie Ewoud Jan Holwerda, studeerde klassieke talen aan de Universiteit Leiden. In 1904 werd hij benoemd tot conservator van de afdeling Nederlandse oudheden van het Rijksmuseum van Oudheden (RMO), en daarna leidde hij verschillende opgravingen. Een stage in 1905 bij de Duitse archeoloog Carl Schuchhardt betekende voor Holwerda een keerpunt. Bij een opgraving van een Romeins castellum werd voor het eerst systematisch gezocht naar grondverkleuringen, tekens van compleet vergane bouwresten. Holwerda bracht de nieuwe archeologische methode over naar Nederland en introduceerde het zoeken naar paalgaten bij de opgravingen waarbij hij betrokken was.

Website statistieken gratis, LetsStat X1